Als dochter van Chinese ouders die in de jaren ’70 van Hongkong naar Nederland migreerden, heb ik van dichtbij gezien hoe overleven eruitziet.
Migreren klinkt soms als een moedige stap vooruit. Maar het is óók verlies.
Een nieuw land. Een onbekende taal. Nauwelijks netwerk of vangnet.
Mijn ouders moesten zichzelf én hun kinderen staande houden in een omgeving die niet vanzelfsprekend veilig of vertrouwd was.
Met onzekerheid, ontworteling en druk om te slagen als constante onderstroom.
Hun antwoord? Overleven.
En overleven ziet er vaak niet dramatisch uit. Het ziet er functioneel uit:
· Hard werken
· Niet klagen
· Emoties inslikken
· Dankbaar zijn
· Onzichtbaar blijven
Hard werken werd hun voornaamste strategie.
Want hard werken levert geld op. En geld geeft veiligheid.
En veiligheid is essentieel wanneer alles om je heen nieuw en onzeker is.
Deze strategieën werden onderdeel van mijn opvoeding.
Geen expliciete lessen, maar onuitgesproken regels.
Pas als volwassene realiseerde ik me: ik stond zelf ook in overlevingsstand.
Wat ik jarenlang “mijn karakter” noemde “Ik ben nu eenmaal een harde werker” bleek een zelf verzonnen verhaal.
Een verhaal wat mij hielp om door te gaan.
Maar nog steeds een overlevingsmechanisme.
En overlevingsmechanismen stoppen niet vanzelf bij één generatie.
Ze worden, vaak onbewust, doorgegeven via overtuigingen, verwachtingen en voorbeeldgedrag.
Totdat iemand bewust wordt.
Stap voor stap leerde ik mijn patronen herkennen.
Niet om mijn ouders af te wijzen, maar om te onderscheiden wat toen nodig was en wat nu niet meer hoeft.
En om te voorkomen dat de overlevingsstand automatisch wordt doorgegeven aan mijn kinderen.
Want patronen worden onbewust doorgegeven.
Totdat bewustwording ruimte maakt voor een andere keuze.
